Meer
Publicatiedatum: 18-07-2019

Inhoud

Programma onderdelen

Financieel kader

Inleiding

Inleiding

De Kaderbrief 2020 staat in het teken van de tekorten in het Sociaal Domein. Tekorten die zich in 2017 en 2018 hebben gemanifesteerd leiden tot een niet meer sluitende meerjarenbegroting 2019-2022. De raad heeft ons de opdracht gegeven om bij de Kaderbrief 2020 met voorstellen te komen om weer een sluitende meerjarenbegroting te kunnen opstellen. Dit proces hebben wij de afgelopen maanden uitgevoerd. In een uitwisseling op 11 april en een extra informatieronde op 16 mei hebben we de raad meegenomen in onze voorstellen. Uiteindelijk heeft dit proces geleid tot deze Kaderbrief die wij u ter vaststelling voorleggen.

Eind mei is de meicirculaire verschenen. We hebben met het afronden van de Kaderbrief gewacht op de uitkomsten van de meicirculaire. Enerzijds vanwege de duidelijkheid over extra middelen voor de jeugdzorg en anderzijds vanwege de ontwikkeling van de accressen van het gemeentefonds.
In de meicirculaire zijn extra middelen voor de jeugdzorg opgenomen. Dat is goed nieuws. Helaas bevat de meicirculaire ook slecht nieuws. De accressen gaan de komende jaren fors naar beneden. Daarnaast worden we geconfronteerd met strengere richtlijnen voor de raming van het voorschot BCF. In deze Kaderbrief gaan wij hier uiteraard dieper op in. Wij concluderen dat ons tekort in het sociaal domein weliswaar door het Kabinet gedeeltelijk wordt opgelost maar tegelijkertijd het accres en het BCF weer voor hogere tekorten zorgen. Per saldo schieten we daar helaas niet veel mee op.

Begrotingspositie 2020-2023

Begrotingspositie 2020-2023

Met deze Kaderbrief geeft de raad het college de kaders mee voor het opstellen van de begroting 2020-2023. Dit dient een meerjarig sluitende begroting te zijn. Dit betekent dat de eerste jaarschijf sluitend en als dit niet het geval is, er een structureel en reëel evenwicht in meerjarenperspectief moet zijn. Dit toetsingskader is van belang voor het vaststellen van de taakstelling die moet worden gerealiseerd.
In maart hebben wij een verkenning van de begrotingspositie gemaakt. Tegelijkertijd met de Kaderbrief bieden wij u ook de Voorjaarsnota aan waarin de huidige begrotingspositie is vastgelegd.



Sinds 2017 worden we geconfronteerd met tekorten in de uitvoering van de nieuwe taken in het Sociaal Domein. Wij zijn niet de enige gemeente in Nederland. Integendeel, bijna alle gemeenten worden geconfronteerd met grote structurele tekorten in het Sociaal Domein in het algemeen en de Jeugdzorg in het bijzonder.
Het tekort voor 2017 hebben we incidenteel kunnen dekken. Wel heeft het structurele effect geleid tot het loslaten van het budgettair neutrale kader wat tot dan toe voor het Sociaal Domein is gehanteerd. In de Voorjaarsnota 2018 is € 359.000 ten laste van de algemene middelen bijgeraamd. Dit tekort kon nog worden opgevangen binnen de totale begrotingspositie. Eind vorig jaar bleek dat de uitgaven voor met name de jeugdzorg over 2018 opnieuw waren gestegen met € 890.000. Begin 2019 bleek de stijging zelfs € 700.000 hoger uit te vallen. Al bij het vaststellen van de begroting 2019-2022 was duidelijk dat de omvang van dit tekort niet meer binnen de begrotingspositie kon worden opgevangen. De raad heeft ons opdracht gegeven om een drietal scenario’s uit te werken die moeten leiden tot een sluitende begroting:

  1. Uitvoeren van kostenbesparende maatregelen die moeten leiden tot een structurele verlaging van het uitgavenniveau in het Sociaal Domein.
  2. Bezuinigen op andere taakvelden c.q. het opstarten van een nieuwe bezuinigingsoperatie.
  3. Het verhogen van de OZB waarbij we een solidaire bijdrage vragen van inwoners en/of bedrijven.

Op basis van deze begrotingspositie hebben wij de taakstelling vastgesteld op € 1,5 miljoen. In de jaren 2020 en 2021 liggen de tekorten hoger maar in 2022 en 2023 weer lager. Met een taakstelling van € 1,5 miljoen creëren we vanaf 2022 weer begrotingsoverschotten. De taakstelling vullen we als volgt in middels de drie scenario’s:

In paragraaf 4 geven wij een toelichting op de uitwerking van de scenario’s.

Meicirculaire 2019

Meicirculaire 2019

De decentralisaties van de taken in het Sociaal Domein hebben de gemeenten vanaf begin voor problemen gesteld. De middelen zijn met een korting van 25% overgeheveld naar de gemeenten. Daarna zijn de tekorten met name in de jeugdzorg verder opgelopen. Middels meerdere moties heeft de VNG het Kabinet opgeroepen om de gemeenten structureel tegemoet te komen in deze tekorten. Begin mei verschenen er berichten in de media dat het Kabinet in de Voorjaarsnota extra middelen gaat reserveren voor de jeugdzorg. Op grond van deze informatie hebben wij besloten om te wachten met het afronden van de Kaderbrief totdat we beschikten over de meicirculaire. De extra middelen voor jeugdzorg zijn inderdaad opgenomen in de meicirculaire. Er zijn echter ook andere ontwikkelingen die van invloed zijn op onze begrotingspositie. Onderstaand geven wij een overzicht.



In onderstaand paragrafen gaan wij kort in op de verschillende onderdelen. Een uitgebreidere toelichting hebben wij opgenomen in bijlage 8 memo meicirculaire.

Extra budget Jeugd

In gezamenlijke opdracht met de VNG heeft de minister van VWS een onderzoek laten uitvoeren naar de kosten van de Jeugdzorg. Dit onderzoek bevestigt de oplopende tekorten bij de gemeenten en stelt ook vast dat sprake is van een behoorlijke volumestijging. De VNG heeft er bij het Kabinet op aangedrongen dat er structureel € 490 miljoen bij moet. Het Kabinet heeft hier gedeeltelijk gehoor aan gegeven. Op 27 mei is bekend geworden dat in de Voorjaarsnota van het Rijk extra middelen zijn opgenomen. Voor 2019 ontvangen de gemeenten € 420 miljoen en voor 2020 en 2021 € 300 miljoen. Het Kabinet trekt dus meer dan € 1 miljard uit om in de tekorten van de gemeenten tegemoet te komen. Deze middelen zijn echter niet structureel. In de brief van het Kabinet is hierover aangegeven dat “aanvullend onderzoek moet worden gedaan om beter zicht te krijgen op de achtergronden van de volumeontwikkeling en de tekorten, en of de volume- en uitgavengroei structureel is.” In de brief heeft het Kabinet ook zorg voor de zekerheid die gemeenten moeten hebben in hun meerjarenraming. Daarom treedt het Kabinet in overleg met de provinciale toezichthouders om tot een richtlijn te komen ten aanzien van de meerjarenraming jeugd. De richtlijn is erop gericht dat de toezichthouder meeweegt dat er nog onderzoek loopt dat erop gericht is om een nieuw kabinet te laten besluiten over een passend budget voor 2022 en latere jaren. Met zoveel woorden zegt het Kabinet dat de gemeenten deze middelen ook in 2022 en 2023 in de begroting mogen ramen. In tabel 3 hebben wij de raming voor extra budget jeugdzorg dan ook structureel doorgetrokken. Uiteraard zullen wij deze lijn nog met de toezichthouder van de provincie Utrecht afstemmen.

We kunnen concluderen dat de extra middelen voor de jeugdzorg niet toereikend zijn om de taakstelling van € 1,5 miljoen in te vullen. Wel zouden op basis van deze extra middelen binnen de drie scenario’s andere keuzen kunnen worden gemaakt. We zouden uitkomen op een structureel begrotingsoverschot van € 80.000 in 2020 oplopend tot € 890.000 in 2023. De meicirculaire heeft echter meer budgettaire consequenties.

Bijstelling accressen

De meicirculaire 2018 had ongekend hoge accressen . De ambities in het regeerakkoord van Rutte III leverde een flink ‘trap op’ effect op. Daarnaast presenteerde het Kabinet ook sterke groeicijfers voor de Nederlandse economie. In de meicirculaire 2019 is dit beeld drastisch bijgesteld. De accressen dalen in de periode 2019-2023 cumulatief met € 600 miljoen. Deels wordt dit veroorzaakt door een bijstelling van de groeicijfers. Dit heeft ook geleid tot bijstelling van de loon- en prijsontwikkeling prognose van het CPB. Een lagere loon- en prijsontwikkeling heeft ook gevolgen voor de raming van de stelpost in onze begroting. Deze is naar beneden bijgesteld. Per saldo resteren de bedragen zoals opgenomen in tabel 3. Het relatief hoge bedrag in 2023 wordt veroorzaakt door de prijs- en volumestijgingen voor het sociaal domein die uit het accres 2023 moeten worden bekostigd.

Voorschot BCF

De meicirculaire geeft de gemeenten een nieuwe richtlijn hoe de gemeenten om moeten gaan met het vervallen voorschot BTW-Compensatiefonds (BCF). Vorig jaar speelde deze discussie omdat in de meicirculaire 2018 het voorschot BCF uit de algemene uitkering werd gehaald. Dit leverde feitelijke een structurele korting op van € 310 miljoen. Voor een toelichting op deze problematiek verwijzen wij naar de memo die destijds aan de raad is verzonden (zie bijlage 11). In deze memo is vastgelegd dat we voor de raming van het voorschot BCF uitgaan van een geleidelijke afbouw waarbij we zijn gestart met 80%. De provinciaal toezichthouder heeft ingestemd met deze beleidslijn. En conform deze lijn hebben we in de Voorjaarsnota 2019 dit percentage verlaagd naar 60% (zie pagina 14 van de Voorjaarsnota 2019).

Het afgelopen jaar is door het Ministerie van BZK benut om in afstemming met de VNG en provinciaal toezichthouders een advies op te stellen hoe om te gaan met het voorschot BCF. Gezien de onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de ruimte onder het plafond BCF is het advies om voorzichtigheid in acht te nemen door een raming op te nemen die maximaal gebaseerd is op de meest recente, gerealiseerde ruimte onder het plafond BCF. Op basis van de meicirculaire bedraagt die ruimte € 39 miljoen. Voor Leusden betekent dit een stelpost van maximaal € 33.000. Na de verlaging tot 60% hebben we in de begroting nog een stelpost die oploopt tot € 451.300.

Stap 2 afschaffen hondenbelasting

Op 13 september 2018 nam de raad een motie aan waarin het college wordt opgeroepen voorbereidingen te treffen om de hondenbelasting in maximaal tien jaar gefaseerd af te schaffen. In de motie is geen financiële dekking aangegeven voor de afschaffing van deze belasting. In 2019 is de eerste stap doorgevoerd en zijn de tarieven met 10% verlaagd. Jaarlijks wordt in de Kaderbrief bezien of de verdere afschaffing in het komende begrotingsjaar tot de financiële mogelijkheden behoort. De tweede stap van de gefaseerde afschaffing voor 2020 wordt uitgesteld, en zolang de meerjarenbegroting het niet toelaat wordt de gefaseerde afschaffing uitgesteld voor de periode 2021-2023.

Scenario’s tekort Sociaal Domein

Scenario 1 Sociaal Domein

Voor wat betreft de taakstelling Sociaal Domein wordt de focus vooral gelegd op kosten beheersende maatregelen binnen de jeugdzorg en de nieuwe Wmo-taken (€ 420.000). Daarbij liggen de accenten vooral op het meer gebruikmaken van al bestaande voorzieningen in het voorliggende veld, preventie en het meer sturen op de toegang tot de zorg door versterken van het accounthouderschap. Richting de toeleiders naar-, en indicatiestellers van zorg moet het besef van schaarste worden uitgedragen: de beschikbare middelen zijn beperkt van omvang en vergen een zorgvuldige afweging als het gaat om allocatie en zo doelmatig mogelijke besteding. Dit betekent niet dat er een opdracht is om minder zorg toe te wijzen. Wij zijn van mening dat zorg voor iedereen die dat nodig heeft ook beschikbaar moet zijn. De vorm (het soort zorg of ondersteuning), de omvang (het aantal uren of dagdelen) en duur (het aantal maanden of jaren) zal wél een onderwerp van gesprek zijn tussen inwoner, zorgverlener en verwijzer.
Bij een afvlakking van de kosten is het mogelijk een deel op te vangen vanuit de stelpost volume- en prijsstijgingen Sociaal Domein, die wij in de begroting hebben geraamd.

In bijlage 2 gaan wij nader in op de aanpak die wij voorstaan en geven wij een overzicht van de verschillende projecten die worden opgestart om de taakstelling te realiseren.

Daarnaast wordt bespaard op de uitvoeringskosten door het opnieuw aanbesteden van de zorgadministratie (€ 150.000) en wordt een deel van de besparingen gevonden door een andere organieke inrichting van welzijnsaccommodaties en het benutten van structurele onderbestedingen op lokale regelingen en onderwijsvoorzieningen (€ 85.700). Aan de andere kant verwachten we dat er in de komende jaren € 250.000 extra moet worden geïnvesteerd (naast de middelen vanuit het CUP) om de besparingen op de zorgkosten ook daadwerkelijk te kunnen realiseren.

Investeringen
Er zijn de komende jaren diverse investeringen binnen het Sociaal Domein nodig. Het gaat daarbij niet alleen om investeringen die voortvloeien uit de samenlevingsakkoorden en het beleidskader, maar zeker ook om investeringen die nodig zijn om de taakstelling op de zorgkosten voor het Sociaal Domein te kunnen realiseren. Alle benodigde investeringen kunnen worden gedaan binnen het financiële kader zoals dat is vastgesteld in het beleidskader Sociaal Domein. Daarbij wordt dekking gevonden vanuit de beschikbare CUP budgetten Sociaal Domein, de € 250.000 die via het beleidskader beschikbaar wordt gesteld en de binnen de reguliere begroting geraamde middelen.



Voor een specificatie van de investeringen en een toelichting daarop verwijzen wij u naar bijlage 9 Meerjarig investeringsplan beleidskader SD en Samenlevingsakkoorden.

Resultaat
Per saldo wordt daarmee vanuit het Sociaal Domein een bedrag van € 405.700 ingebracht als bijdrage in de gemeente brede taakstelling.
Vanuit het CUP zijn budgetten beschikbaar gesteld voor het treffen van preventieve maatregelen in het voorliggend veld. Deze maatregelen moeten zichzelf terugverdienen door lagere zorgkosten. Daarvoor is een taakstelling “slimmere zorg” opgenomen van € 180.000 i.c. 2% van het zorgbudget. Deze taakstelling maakt deel uit van de totale taakstelling van de voornoemde € 1,5 miljoen.

In meerjarenperspectief wordt de taakstelling als volgt ingeboekt:



De taakstelling zorgkosten boeken we in met ingang van 2020. In het beleidskader Sociaal Domein is vastgelegd reserve Sociaal Domein weer op het gewenste niveau (10% van de nieuwe taken Sociaal Domein) gebracht wordt. Dit betekent dat we in de Voorjaarsnota voorstellen om deze reserve weer met € 800.000 op te hogen. Hiermee wordt weer een buffer gecreëerd om eventuele besparingsverliezen op te kunnen vangen.

 

Scenario 2 Overige taakvelden

Om weer tot een sluitende meerjarenbegroting te komen is een quickscan uitgevoerd naar de mogelijkheden om binnen de overige taakvelden van de begroting bezuinigingen te realiseren. Bezuinigen is voor Leusden niet nieuw. Eind jaren 90 is de eerste grote bezuinigingsoperatie uitgevoerd. Die was toen noodzakelijk door de wijziging van de Financiële verhoudingswet waardoor Leusden één van de grootste nadeelgemeente werd in de herverdeling van het gemeentefonds. Maar ook de jaren daarna is Leusden telkens geconfronteerd met structurele tekorten, veelal veroorzaakt door bezuinigingen van het Rijk. Alleen al vanaf begin deze eeuw tellen we er negen:


Het overzicht toont aan dat we de afgelopen jaren al flink gesneden hebben in onze uitgaven waardoor het laaghangend fruit al lang verdwenen is en het niet eenvoudig is om nog bezuinigingsmogelijkheden te vinden.

Voor de quickscan hebben wij gebruik gemaakt van de in 2013 uitgevoerde Kerntakendiscussie. Destijds zijn alle kerntaken van de gemeenten beoordeeld op bezuinigingsmogelijkheden. Op basis van deze informatie hebben we opnieuw gekeken naar besparingsmogelijkheden door het stoppen met taken, het teruggaan naar uitvoering op het wettelijk minimum of het verlagen van het uitvoeringniveau.

Vooraf hebben we hierbij een aantal kaders gehanteerd:

  1. Het CUP 2018-2022 blijft in stand. Dit betekent dat we geen maatregelen hebben opgenomen op taakvelden waar in het CUP ambities voor zijn geformuleerd. Het Sociaal Domein is één van de vele taakvelden waar de gemeente doelstellingen op wil bereiken. Met het schrappen van in het CUP opgenomen middelen komen de ambities zoals vastgelegd in het coalitieakkoord op meerdere terreinen onder druk te staan
  2. We gaan uit van continuïteit van bestuur. Dit wil zeggen dat we raadsbesluiten die in een eerder stadium zijn genomen over bijvoorbeeld het terugdraaien van bezuinigingen of het intensiveren van beleid niet ter discussie stellen door nieuwe bezuinigingsmaatregelen voor dit taakveld op te nemen.
  3. We stellen realistische bezuinigingsmaatregelen voor. Dit heeft enerzijds met de twee vorige punten te maken, dat wil dus zeggen uitgaan van de huidige politiek-bestuurlijke realiteit. Anderzijds hebben we ook kritisch gekeken naar de uitvoerbaarheid van de maatregel. Hierbij tekenen we nog aan dat we in Leusden in alle uitgevoerde bezuinigingsmaatregelen over het algemeen weinig besparingsverliezen hebben gehad (anders dan het terugdraaien van een maatregel).

De circa 60 taken zijn kritisch onderzocht op bezuinigingsmogelijkheden. Voor 8 kerntaken is een bezuinigingsmaatregel geformuleerd. In meerjarenperspectief wordt de taakstelling als volgt ingeboekt:



Met de categorieën ‘nullijn inflatiecorrectie overige budgetten en gesubsidieerde instellingen’ bedoelen we dat subsidies voor twee jaar worden bevroren en dat de budgetten in de begroting niet worden verhoogd. Prijsstijgingen moeten dan binnen het budget worden opgevangen.

Met betrekking tot gesubsidieerde instellingen realiseren wij ons dat een aantal organisaties wordt geconfronteerd met loonstijgingen op grond van afgesloten CAO’s. Het zal dus zeker een uitdaging zijn om deze kostenstijging binnen de huidige begroting op te vangen. In onze afweging hebben we ook meegenomen dat deze organisaties over het algemeen nog wel over reserves beschikken. Indien noodzakelijk zijn wij bereid in overleg met de organisaties de prestatieafspraken aan te passen. In bijlage 1.1 geven wij een overzicht van de gesubsidieerde instellingen.

Scenario 3 Verhogen OZB

In de begroting 2019 is vastgelegd dat we voor het oplossen van het tekort ook kijken naar de mogelijkheden om een solidaire bijdrage te vragen van inwoners en/of bedrijven door middel van verhogen van de OZB. De volgorde in de scenario’s is niet willekeurig gekozen. De verhoging van de OZB vormt de sluitpost nadat we hebben onderzocht of we binnen het Sociaal Domein en op andere taakvelden van de begroting kosten kunnen besparen.De gemeentelijke woonlasten zijn in Leusden laag. Op de landelijke Coelo-ranglijst van ‘goedkope gemeenten’ staat Leusden in 2019 op de 19e plek. Slechts in 18 van de 355 gemeenten is het goedkoper wonen dan in Leusden[1]. Dat is een positie die we graag zouden willen koesteren. Niet voor niets hebben wij het coalitieakkoord opgenomen dat de gemeentelijke belastingen in beginsel niet worden verhoogd. De tekorten waar de gemeente Leusden op dit moment mee wordt geconfronteerd noodzaken ons echter om ook een OZB-verhoging mee te nemen in de afweging.

Wij kiezen er nadrukkelijk niet voor om dit financiële probleem af te wentelen op mensen die de zorg nodig hebben. Ook willen we het voorzieningenniveau in onze gemeente handhaven. Met andere woorden: we gaan niet de bibliotheek sluiten omdat er een tekort is op de jeugdzorg. Ook kiezen we ervoor om onze ambities in het coalitieakkoord overeind te houden. De consequentie van deze keuzes is dat de OZB als sluitpost van onze begroting omhoog moet. Rekening houdend met de taakstelling en de resultaten van de andere scenario’s komen we tot de volgende verhoging:


[1] Voor een nadere toelichting op de ontwikkeling van de woonlasten in Leusden en de vergelijking met andere gemeenten wordt verwezen naar bijlage 3.

 

Taakstelling € 1.500.000
Scenario 1 Sociaal Domein € 405.700
Scenario 2 Overige taakvelden € 511.000
Scenario 3 Verhogen OZB € 583.300

De verhoging van de OZB betekent een stijging van de tarieven voor woningen en niet-woningen met 8,5%. Voor een gemiddelde woning in Leusden betekent dit een hogere aanslag van circa € 28.

Gevolgen meicirculaire
In paragraaf 3 hebben wij de gevolgen van de meicirculaire geschetst. De resultaten hebben duidelijk gemaakt dat ondanks de extra middelen voor de jeugdzorg de meicirculaire helaas niet heeft geresulteerd in een positief resultaat waardoor we maatregelen in de drie scenario’s zouden kunnen schrappen. De meicirculaire geeft voor de jaren 2019-2021 een verbetering maar voor de jaren 2022 en 2023 een verslechtering van de begrotingspositie. In tabel 3 hebben wij de begrotingspositie weergegeven na verwerking van de meicirculaire. Het meerjarige tekort (jaarschijf 2023) bedraagt € 160.000.
Zoals in paragraaf 2 aangeven dient een begroting meerjarig sluitend te zijn. Wij stellen voor om aanvullend op scenario 3 de OZB verder te verhogen met € 180.000 en dit in drie stappen te doen te beginnen in 2021. Realisering van deze maatregel is afhankelijk van de ontwikkeling van de begrotingspositie. Met betrekking tot de jaarschijf 2020 nemen wij in de begroting 2020 een dekkingsvoorstel op mede afhankelijk van het dan vast te stellen begrotingsresultaat.

Weerstandsvermogen
In de Voorjaarsnota hebben wij de prognose van de algemene reserve; basisdeel weergegeven. Door het tekort in de jaarrekening 2018 en het in de Voorjaarsnota geraamde tekort voor 2019 daalde de algemene reserve tot onder de afgesproken ratio van 0,8. Zoals hiervoor aangegeven heeft de meicirculaire voor de jaren 2019-2021 een positief resultaat. Dit heeft gevolgen voor het weerstandsvermogen en de weerstandsratio. De prognose op basis van deze kaderbrief is nu als volgt:



Hiermee is de ratio weer binnen de afgesproken bandbreedte gekomen.

Kaders begroting 2020

Kaders begroting 2020

Bij het opstellen van de begroting hanteren wij de volgende uitgangspunten:

  • In scenario 2 is het voorstel opgenomen om aan de uitgavenkant van de begroting de nullijn toe te passen voor loon- en prijsstijgingen in 2020 en 2021. Aan de inkomstenkant worden de tarieven van de belastingen en heffingen met een inflatiecorrectie van 2% verhoogd.
  • Afvalstoffenheffing: Er wordt uitgegaan van kostendekkende tarieven. Deze worden na de zomer becijferd op basis van de afvalinzamelingsanalyse van 2018. Verwacht wordt dat de tarieven zullen stijgen.
    Evenals in voorgaande jaren kan er in 2020 geen overschot in de egalisatievoorziening via tariefsverlaging aan de inwoners worden teruggegeven. In de voorziening ontbreken daarvoor de middelen.
  • Rioolheffing: In 2019 zal het nieuwe Gemeentelijk Rioleringsplan voor de periode 2019-2023 aan de raad worden aangeboden. Als er een beleidsmatige aanpassing van het tarief van de rioolheffing in 2020 nodig is, dan volgt dit uit het GRP. Verder zal het tarief van de rioolheffing met 2% inflatie worden verhoogd.
  • Het percentage voor de rentebaten in de begroting wordt afgestemd op het meerjarig te verwachten rendement op beleggingen. De rente is op dit moment nog steeds zeer laag. Voor 2020 gaan we evenals in 2019 uit van een rendement van 0,5%. In meerjarenperspectief handhaven we het rendement op 1%.

Resultaat Jaarrekening 2018

Resultaat Jaarrekening 2018

De jaarrekening sluit met een negatief resultaat van € 1 miljoen (exclusief het positieve resultaat van het grondbedrijf ad € 1,2 miljoen). Belangrijkste factoren zijn de hogere kosten in het Sociaal Domein (€ 0,4 miljoen) en de lagere inkomsten bij Afval (€ 0,5 miljoen). De hogere kosten voor het Sociaal Domein hebben structurele gevolgen en zijn ook bijgeraamd in de Voorjaarsnota. De lagere inkomsten voor afval worden veroorzaakt door een substantieel lager aantal aangeboden afvalzakken en daarnaast is de vergoeding voor het ingezameld PMD lager dan geraamd. Wij onderzoeken nog in welke mate er sprake is van structurele effecten.

Het negatieve resultaat komt ten laste van de algemene reserve basisdeel. Bij tussentijdse rapportages en andere raadsbesluiten is in 2018 € 1 miljoen aan de algemeen reserves onttrokken. Daarnaast is voor dekking van de tekorten in het Sociaal Domein de reserve Sociaal Domein per saldo voor € 0,3 miljoen aangesproken. Het feitelijke tekort op de exploitatie van de algemene dienst in 2018 bedraagt derhalve € 2,3 miljoen.

Voorstel

Voorstel

Wij stellen u voor om de Kaderbrief 2020 vast te stellen en daarmee in te stemmen met de volgende kaders:

  1. Gegeven de ontwikkeling van de begrotingspositie als gevolg van de kostenstijgingen in het Sociaal Domein, de ontwikkeling van de accresramingen en de raming BCF de taakstelling vast te stellen op € 1,5 miljoen.
  2. In te stemmen met de uitvoering van scenario 1:
    a. Uitvoeren van kostenbesparende en kostenbeheersende maatregelen die leiden tot een besparing van 6,5% van het inkoopkader zijnde € 420.000.
    b. Uitvoeren van overige besparende maatregelen in scenario 1 tot een bedrag van € 235.700.
    c. Een budget van € 250.000 te reserveren voor investeringen die nodig zijn om de onder a genoemde maatregelen uit te voeren.
  3. In te stemmen met de uitvoering van scenario 2:
    a. Verlagen van de budgetten ongediertebestrijding, consignatiedienst, VRI’s, milieueducatie tot een bedrag van € 65.000.
    b. Verhogen van de inkomsten door legesheffing voor vragen over vergunningsvrij bouwen, structureel ramen van verkoop groen opbrengsten en doorberekenen van elektriciteitskosten aan standplaatsen tot een bedrag van € 136.000.
    c. Voor 2020 en 2021 geen inflatiecorrectie toepassen op de budgetten aan derden in de begroting en de subsidies tot een bedrag van € 310.000.
  4. In te stemmen met de uitvoering van scenario 3:
    a. Verhogen van de OZB voor 2020 met € 583.300 voor woningen en niet-woningen.
  5. In te stemmen met een extra gefaseerde verhoging van de OZB met € 60.000 in 2021 € 120.000 in 2022 en € 180.000 in 2023.
  6. In te stemmen met het bestedingsvoorstel nieuw beleid 2020.
  7. In te stemmen met de overige begrotingskaders voor de begroting 2020.
  8. De tweede tranche van de gefaseerde afschaffing van de hondenbelasting voor 2020 uit te stellen en zolang de meerjarenbegroting het niet toelaat de gefaseerde afschaffing uit te stellen voor de periode 2021-2023.